14 Februari
De dag begon om half zes 's ochtends, toen ik opgepikt werd voor de tocht naar Sukabumi. Rond middernacht was ik weer terug. Van de zeventien en een half uur, zaten we zo'n twaalf uur in de auto. Ruim zes uur heen, en evenlang terug, voor een afstand van zo'n 140 kilometer.
Het is ietwat druk op de weg in Indonesië.
Het grootste deel van de tocht zat ik bij de Nederlandse journalist Jan Lepeltak in de auto. Hij woont hier al zes jaar. Hij praat vloeiend Indonesisch, en zo rijdt hij ook. Met één hand altijd op de claxon.
De wegen in en dichtbij Jakarta zijn behoorlijk, maar richting Sukabumi werd de kwaliteit snel minder. En voorbij Sukabumi, waar we de bergen introkken, werd ook Jan een beetje nerveus. Een reserveband had hij niet, en de wegen bestonden alleen nog uit modder en scherpe stenen.

We waren op weg naar de plek waar Poncke zich, helemaal op het eind van de oorlog, met zijn guerillagroep en zijn vrouw, verschool, omdat het KNIL een klopjacht hield op hem. De Knil-soldaten wisten dat de oorlog verloren was, de wapenstilstand was aangekondigd.
Met hun woede en frustratie konden ze niks meer. Behalve dit. De verrader Poncke Princen te grazen nemen, kapot maken.
In de nacht voor de wapenstilstand zou ingaan, hadden ze hem gevonden. In een klein huisje op een verwilderde theeplantage. Bij het eerste licht vielen ze aan. Ze schoten en gooiden granaten.
In het huisje zag Poncke een handgranaat over de vloer naar hem toe komen rollen. Hij sprong door een achterraam uit het huisje. Tegelijkertijd ontplofte de granaat, en verwondde hem aan zijn been. Hij hinkte door de dichte struiken achter het huisje tegen de steile heuvel op, samen met nog een paar van zijn mannen. Hoger op de heuvel wachtte hij, tot ze hem zouden omsingelen.

Maar de Knil-lers kwamen niet. Poncke kon schoten horen in het huisje. Dan werd het helemaal stil. Poncke riep naar de Knil-lers, dat hij hierboven zat, dat ze maar moesten proberen hem te komen afmaken. Hij had toch al gewonnen. Indonesië was vrij.
Maar het bleef stil. Niemand kwam. Tenslotte slopen Poncke en zijn mannen voorzichtig terug naar het huisje, waar ze al hun kameraden dood aantroffen, vakkundig afgemaakt. Ook Poncke's vrouw.
Waarom de Knil-lers weggetrokken zijn, is een raadsel. Misschien dachten ze dat Poncke daar boven op de heuvel met veel man in een hinderlaag lag. Of misschien vonden ze het nog beter om Poncke te beroven van zijn vrouw en zijn vrienden, en hem te laten leven. Misschien wisten ze, dat ze hem zo veel meer pijn deden.
Op weg naar de theeplantage is meneer Maulani onze gids. Hij was Ponckes chauffeur en helper, in de laatste jaren van zijn leven, toen hij lichamelijk steeds verder aftakelde. Meneer Maulani heeft al eerder Nederlanders hierheen begeleid. Maar hij wordt ook ouder: na een trektocht over smalle paden, steeds omhoog, kan hij niet meer verder. Hij wijst Jan Lepeltak en mij hoe we verder moeten lopen.
Gevolgd door een groepje jongens uit de laatste kampong, waar we langs komen, vinden we tenslotte de plek. Het huisje is verdwenen. Maar ik kan voor me zien, waar het stond. Ik zie de helling waar Poncke omhoog vluchtte. En het dal van waaruit de Knil-lers aanvielen. Het is een prachtig mooie plek. Zo had ik het me ook voorgesteld om te laten zien in de film: dat de gruwelijke moordpartij plaatsvond in de meest prachtige natuur.
Op de weg terug naar de auto's begint het hevig te ontweren. De bliksem slaat dicht bij ons in, de donder klinkt zo luid, dat we onderuitgaan. Ik ben al weer vijf dagen in Indonesië, dus ik ben hard op weg om ook bijgelovig te worden. Het moet een teken zijn geweest. Maar van wat?

Jan Lepeltak en kampong-jongens, met lokale paraplu's.
Ik ben gelukkig dat we de tocht gemaakt hebben, dat ik de plek heb gezien. Het is inspirerend voor het schrijven van het scenario. Ik weet ook al zeker dat we nooit en te nimmer daar zouden kunnen filmen. Een filmcrew en hun apparatuur over die gammele wegen en paden omhoog slepen, is volkomen onmogelijk. Maar dat is van later zorg. Nu ik er geweest ben, weet ik beter wat voor plek we in het verhaal nodig hebben. Prachtige idyllische plekken zijn er hier op West-Java in overvloed, vast ook wel makkelijker bereikbare.

